Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog

Publié par Michel Bouffioux

Un article de Marc Reynebeau, paru dans "De Standaard"; le 28 septembre 2018.

Hij die ‘de blanke man beloog’

Storms belichaamt het geweld waarmee Congo een Belgische kolonie werd.

Jonge Afrikanen maken zich zorgen over hun culturele erfgoed dat met de kolonisering in Europese musea belandde. Daartoe behoort onder meer de schedel van een Congolese krijgsheer die in opdracht van de Belgische militair Emile Storms in 1884 werd gedood.

Storms belichaamt het geweld waarmee Congo een Belgische kolonie werd. Dit verhaal steunt mee op studies van de Belgische journalist Michel Bouffioux en de Amerikaanse antropoloog Allen F. Roberts.

‘Ik laat het hoofd van Lusangi in het midden van de cirkel plaatsen. Ik zeg: “Ziehier de man die jullie gisteren nog vreesden. Hij is dood omdat hij altijd probeerde het land ten gronde te richten en omdat hij de blanke man beloog.”’ Zo noteerde luitenant Emile Storms op 9 december 1884 in zijn dagboek.

Storms, geboren in Wetteren in 1846, zou het in het Belgische leger tot generaal schoppen. Hij stierf in Elsene in 1918, kreeg een straat naar zich genoemd in Florennes en troont nog altijd zelfbewust in vol militair ornaat met een zandstenen buste op de chique Brusselse de Meeûssquare.

De scène in het dagboek speelde zich af in het Congolese dorpje Mpala-Lubanda, aan de westoever van het Tanganyakameer, ongeveer halfweg tussen wat nu Kalemie (het voormalige Albertstad) en Moba (ex-Boudewijnstad) zijn, in het noorden van Katanga. In de jaren 1882-85 leidde de beroepsmilitair Storms er een expeditie onder auspiciën van de Association Internationale Africaine (AIA), een club die, behalve de exploratie, ook de ‘beschaving’ tot haar opdracht rekende.

In de praktijk was de AIA een vehikel van de Belgische koning Leopold II. Ze verleende hem internationale patronage om wetenschappelijke en humanitaire expedities in Centraal-Afrika op te zetten, die in de praktijk echter in de eerste plaats een koloniale aanwezigheid moesten vestigen. Europa was net begonnen aan de scramble for Africa, de wedloop naar dat tot dan weinig bekende continent, officieel om er een eind te maken aan de slavenhandel en om er beschaving, remedies voor dodelijke ziekten en christendom te brengen. In feite ging het zonder meer om koloniale expansie.

Storms leidde de vierde (en voorlaatste) AIA-expeditie, waarna Leopold zijn koloniale ambities prompt kon consolideren. De koning speelde handig in op de rivaliteit tussen de Europese grootmachten en kreeg op een internationale conferentie in Berlijn in 1885 de soevereiniteit over de immens grote Congo Vrijstaat toegewezen, de voorloper van de kolonie Belgisch Congo. Hij had zijn zin gekregen doordat zijn project geen klassiek kolonialistisch karakter had (België was er als staat officieel niet bij betrokken), maar alleen mikte op commerciële exploitatie, met een vrijhandelsregime waarvan heel Europa zou kunnen profiteren – officieel toch.

Daarvoor had onder anderen Emile Storms de weg vrijgemaakt. Hij vertrok in 1882 uit Brussel en reisde via het Oost-Afrikaanse Zanzibar naar het westen, langs de route van de slavenhandelaars doorheen wat nu Tanzania is. Nog aan de oostelijke kant van het Tanganyikameer vormde hij de in 1878 gestichte AIA-post in Karema om tot een versterkte burcht, die hij Fort Léopold noemde. Hij stak het meer over, naar wat nu Congo is, om er nieuwe posten uit te bouwen. Dat hij die zag als militaire forten lag in het denken van Storms, die al van zijn zestiende in het leger diende. Hij meende dat het zo hoorde, want ‘in Afrika,’ zo noteerde hij in zijn dagboek, ‘erkent men geen enkele verovering als ze niet met de wapens tot stand komt’.

‘Meneer Vesting’

Veroveren was dus Storms doel, militaire pressie het middel om de lokale bevolking en haar chefs tot loyaliteit te dwingen; achteraf zou hij zich het koosnaampje ‘Emile I, keizer van Tanganyika’ graag laten welgevallen. Zo belandde Storms in Congo in de regio Lubanda, met een centraal dorpje dat hij Mpala noemde, naar de lokale chef van de Tabwa, Mpala Kakonto. Vond hij de mensen er eerst ‘zachtaardig’, al snel noemde hij hen vooral ‘kleinmoedig, lui en praatziek’. Maar Mpala Kakonto betuigde hem alle eer en Storms bouwde zijn fort, een indrukwekkende burcht met een omheining waarvoor vijfduizend bomen werden geveld en die hem de lokale bijnaam Bwana Boma opleverde, ‘meneer Vesting’. Van daaruit trachtte Storms chefs in de omgeving aan zich te binden, loyaliteit ruilend voor stofjes en de belofte van bescherming. Van beschaving of strijd tegen de slavenhandel was weinig sprake; ook Storms zelf hield er slaven op na, die hij had ‘verworven’ als betaalmiddel of als sanctie.

Maar niet iedereen toonde zich goedgelovig tegenover de beloften van Storms, in de eerste plaats Lusinga Iwa Ng’ombe, een lokale chef die met zijn lengte van 1 meter 80 bijna twintig centimeter boven de kleine Belgische luitenant uittorende en een martiale reputatie genoot. In de koloniale mythes kreeg hij daarom al gauw de allure van een krijgsheer, als een ‘bloeddorstige potentaat’, volgens Storms ‘een indringer, niet eens van koninklijk bloed, een slechterik die zijn gelijke niet kent’. De reserves van Lusinga, die niet ver van Mpala op de Marungu-hoogvlakte heerste, deden Storms twijfelen aan de soliditeit van zijn ‘keizerrijk’.

De groeiende animositeit ontaardde in een open conflict toen Storms Lusinga weigerde buskruit te leveren. Lusinga ontstak in woede en beloofde de eerste gezant van Storms die hij onder ogen kreeg, een kopje kleiner te maken. Toen Storm daarvan hoorde, schreef hij in een brief over Lusinga: ‘als hij het ongeluk heeft om dat voornemen ook in de praktijk te brengen, zou het weleens kunnen dat zijn hoofd met een etiket eraan in Brussel arriveert, waar het niet zal misstaan in een museum’ – een macabere profetische uitspraak.

Bloedbad

Storms besloot het dispuut definitief te beslechten. Hij stuurde een legertje de hoogvlakte op, vooral bestaande uit in Oost-Afrika gerekruteerde huurlingen en krijgers van loyale chefs. Storms was er niet bij, maar kon wel berichten dat Lusinga in de ochtend van 4 december 1884 als een van de eersten door een kogel werd getroffen, waarna hij nog voor hij zijn laatste adem kon uitstoten, werd onthoofd.

Het werd een bloedbad. Storms’ legertje doodde 50 à 60 van Lusinga’s krijgers en nam 125 mensen gevangen, over die laatsten is achteraf niets meer vernomen – vermoedelijk werden ze als slaven weggevoerd. Storms’ huurlingen plunderden het pas veroverde bastion en staken het in brand. Ze namen onder meer de voedselvoorraad mee als buit, wat de achterblijvers tot de honger veroordeelde. Een eeuw later deden in de collectieve herinnering in de streek nog altijd verhalen de ronde over moordpartijen, verkrachtingen en vernielingen.

De aanvallers plaatsten Lusinga’s hoofd op een speer en brachten het zo naar Mpala, waar Emile Storms het tentoonstelde, als afschrikking voor wie nog zo vermetel zou zijn om ‘de blanke man te beliegen’. Een goede week na de slachting kon Storms al een akkoord sluiten met een nieuwe chef in de Marungu, al bleef daar een verzetshaard over die Storms bestreed door hele dorpen plat te branden. Het bleef echter onrustig en in 1885 ging ook Storms boma in Mpala helemaal in de vlammen op.

Toen Storms in 1885 Congo verliet, bracht hij ook, onder meer, Lusinga’s hoofd en nog twee andere schedels naar België mee. Behalve dat hij ermee een trofee kon tonen, had hij daar nog andere reden voor: de wetenschap, het toen populaire schedelmeten, de craniologie, dat antropologisch raciale kenmerken zou vastleggen, in de misplaatste overtuiging dat daarmee de superioriteit van het ene ras tegenover het andere kon worden bewezen. Storms’ directe opdrachtgever, secretaris-generaal Maximilien Strauch van de AIA, had hem in 1883 al gevraagd om schedels te verzamelen.

De Société d’Anthropologie de Bruxelles deed overigens onderzoek naar de schedels die Storms had meegebracht. Verder bewaarde hij ze echter, samen met onder meer beeldjes die zijn huurlingen van Lusinga hadden geroofd, bij hem thuis. Na zijn dood gaf zijn weduwe ze aan het toenmalige Congomuseum in Tervuren, dat ze, samen met andere fysieke resten, in 1964 overdroeg aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.

Daar liggen de schedels, onder meer die van Lusinga, nog altijd, als een kwalijke herinnering aan de koloniale veroveringen en aan een wetenschappelijke vergissing uit de late negentiende eeuw.

Pour être informé des derniers articles, inscrivez vous :

Commenter cet article